Wij zijn onbetaalbaar

[Om te vieren dat Collectief Kapitaal nu alweer 6 jaar vormgeeft aan andere manieren om samen te zijn, is een prachtig tijdschrift samengesteld, Wereld Maken, met bijdragen van o.a. Michelle van Tongerloo, Mustapha Eaisaouiyen en Femke Kaulingfreks. Je kunt het hier kopen met geld en dan geeft Collectief Kapitaal dat geld weer door aan anderen. Wij mochten ook iets bijdragen. Onze tekst vind je hier in een zeer licht gewijzigde versie.]

We moeten nooit vergeten: armoede is Hun probleem. Wij hebben geen boodschappen kunnen doen. Wij krijgen enveloppen van instanties. Wij trekken die extra trui maar weer aan. Wij wassen de kinderen met koud water. Wij leven tussen de schimmels. Wij wachten op de uitverkoop voordat de kinderen een grotere maat schoenen krijgen. Want wij hadden daarnet nog geld, maar het is nu alweer weg. Dat zijn onze problemen. Zij noemen dat armoede. Dat moeten Ze doen, want Ze hebben ons nodig.

‘Inkomensondersteuning’ is subsidie voor de eigenaren. Dwars door ons lijf heen worden de centen doorgegeven. Hun probleem is niet dat onze levens gekort worden, dat we eerder doodgaan omdat we geen toegang krijgen tot levensmiddelen, tot slaap en plezier, tot eten en drinken, tot muziek en dromen. Hun probleem is dat we arm zijn. Dat we voor die levensmiddelen niet kunnen betalen. De dingen die we nodig hebben liggen gewoon in de supermarkt. Je kunt ze gewoon gaan pakken en mee naar huis nemen. Maar… niet zonder te betalen. Niet zonder een briefje achter te laten, niet zonder een virtuele transfer die hoe dan ook een zero sum game is, niet zonder iets kwijt te raken wat we straks weer nodig zullen hebben, voor de schoolreis, voor de bus, voor de tandarts, voor de lol. Onze bankrekening is waar het probleem dat Zij armoede noemen en de problemen waaruit ons leven is opgebouwd tegen elkaar aan schuren en verrekend worden. Dat is waar Zij aan ons vast zitten en wij niet van Hen afkomen. 

Daarom is het nuttig om deze verwikkeling scherp in beeld te krijgen. Hoe zit die in elkaar en wat doet dat met ons? Waar is die verwikkeling uit opgebouwd en hoe verslappen we de wurggreep waarin Ze ons leven afknijpen door ons dat wurgen zelf te laten doen, door een rekening op onze naam te openen, door ons te laten kopen wat we nodig hebben voor een leven op Aarde, door de aanschaf van zoiets basaals als onze levens-middelen een afboeking te laten zijn en dus door ons onze eigen levens te laten afschrijven?

Armoede is een statistisch gebeuren. Het wordt zichtbaar wanneer Ze in grote aantallen tegelijk de huishoudens van mensen gaan bekijken. Dan zien Ze al onze problemen van een afstandje, in cijfers en tabellen, en vanaf die hoogte stellen Ze vast dat hier sprake is van armoede, van een chronisch, wijdverspreid, iedere maand weer opdoemend tekort aan inkomsten. Van een gat dat, als het er niet zou zijn, zou duiden op toegenomen rijkdom. Ieder huishouden is op net weer een andere manier in gebrek, maar bezien vanaf een afstandje, uitgedrukt in waarde(n), is het allemaal hetzelfde: armoede. Een macro-economisch ding, een ding dat niet alleen onvermijdelijk maar zelfs noodzakelijk is om de inflatie te drukken: het rijker worden van iedereen zou het armer worden van iedereen betekenen. A rising tide sinks all boats.

Zo bezien is deze sociale kwestie een kans en daarmee een project. Voor beleid en gemeentebestuur. Terwijl Ze een oplossing zeggen te zoeken voor het armoedeprobleem maken Ze de mensen tot het armoedeprobleem. Die mensen zijn door de tijd heen verschenen in een bonte parade van ketterse namen. Als plebejers. Als vagebonden. Als paupers. Als abjecten. Als miserabelen. Als onderklasse. Onmaatschappelijken. Asocialen. Ongeïntegreerden. Niet-participerenden. Ongeactiveerden. En, aan de ontvangende kant, als bedelaars, geuzen, steuntrekkers, fraudeurs…

Zo voorgesteld is het probleem al bijna verdwenen voordat het aangepakt wordt. Op de zolderkamer van de boekhouders rijdt het treintje op volle toeren in de rondte. En ook al weten de economische boekhouders eigenlijk wel beter omdat Ze de creatio ex nihilo van geld en/als krediet verdisconteren, de politieke boekhouders verzekeren ons: op papier zou het uit moeten kunnen! Iedere cent uitgegeven is een cent verdiend. En iedere cent verdiend is een potentiële uitgave of een besparing/investering. Maar dan blijkt dat de verdiensten en de uitgaven geen tred houden met de geldvoorraad, dat de verplichtingen evenredig zijn aan de verdiensten noch aan de noodzakelijke consumptie, maar aan de schulden. Dus waar loopt de waarde weg? Waar zit het lek? En hoe krijgen we het boven? Hierop hebben de boekhouders van de armoede een antwoord en dat antwoord beheerst Hun ontwerp van ieder mogelijke oplossing: improductieve consumptie. Deze negentiende-eeuwse uitvinding is het grondidee waarmee het moderne probleem van de armoede de wereld in is geholpen.

In de verbeelding van de boekhouders gaat het hier om consumptie – of met andere woorden: dat wij leven – die niet of in elk geval niet voldoende wordt omgezet in productie. Het eten moet vertaald worden in werken. Maar precies daarom geldt het omgekeerde: wie wil eten, moet werken. En wie niet werkt, eet te veel. De armoede is zo haar eigen les. Ze lijkt wel ontworpen met een goddelijke voorzienigheid: de pijn van de armoede komt, als vanzelf, precies terecht bij diegenen die het probleem doen ontstaan. Het is alleen maar logisch: het exces aan leven, het onproductieve leven, kan niet overleven, want voor overleven is productie nodig. Wie niet produceert, verdient geen inkomen. (Noteer dat ‘verdienen’ net als ‘schuld’ in het Nederlands tegelijk een beschrijvende en een morele lading heeft.) En wie geen inkomen heeft, zal voor het einde van de maand door de voorraad zijn. Die zal een stukje van de maand arm moeten zijn. Al die stukjes maand bij elkaar opgeteld is wat Ze de armoede noemen. Iedereen weet immers dat als er maar genoeg gewerkt zou worden er geen armoede zou zijn?

Dit is waarom de boekhouders van de armoede altijd uitkomen bij een morele oplossing. Bij heropvoeding, en bij de politie van en het toezicht op de armen. Hun statistische beschrijving van het probleem – stukjes maand waarvoor niet gewerkt is – bevat meteen ook een pedagogische beschrijving van de oplossing: aan het werk! En wat dan blijkt is dat wij – op allerlei volstrekt onvoorspelbare manieren – ongeschikt zijn voor het werk: omdat we niet beschikbaar zijn, niet op tijd komen, er niet uit zien, een beetje stinken, ongesteld zijn, altijd moe blijven, niet in het team passen, de verkeerde dingen zeggen of toch te vroeg weer vertrekken, de verkeerde dingen doen en ons toch al te veel met het werk bemoeien, met hoe het georganiseerd wordt en met hoe het beloond wordt. We luisteren niet naar de baas én we zijn niet zelfstandig genoeg. Tussen de arbeidsmarkt en de werkvloer struikelen wij over iedere hobbel die het werk inhoudt. Zoals Marguerite van den Berg schrijft: iedereen is moe en niemand heeft tijd. Werk is geen oplossing. Mensen, mensen, wat moet je ermee?!

Zo bezien, en zo zien Ze het, is de oplossing voor de armoede dat wij aan het werk gaan, dat we allemaal ons steentje bijdragen, dat we het lek tussen consumptie en productie dichten zodat het bad van de rijkdom kan vollopen. Dan zou de sociale kwestie eindelijk zijn opgelost en is het een kwestie van tijd totdat we allemaal een zwembad in de tuin hebben. Het hardnekkig voortbestaan van de armoede is dus het bewijs dat we nog niet zijn toegerust voor het werk. Natuurlijk kunnen Ze wat proberen te doen aan de verdeling van geld. Bij sommige mensen komt er zoveel binnen, die kunnen wel wat missen. En natuurlijk kunnen Ze wat proberen te doen aan de prijzen. Maar daarvoor blijkt dan werkloosheid, hier of in het buitenland, gek genoeg een oplossing te zijn, en daarmee zal er armoede moeten zijn om de armoede te verhelpen. Maar onderaan de streep blijft het noodzakelijk dat we ons laten verplichten tot het werk, dat we vatbaar worden voor prikkels en blijven denken in mogelijkheden. Je hebt maar één kans om een eerste indruk te maken! En helaas, de cijfers laten zien dat er problemen zijn, er zal ergens pijn geleden worden… Maar ja, het was de hele tijd al daar, recht onder onze neus: de woorden voor werk (labour, travail) hadden altijd al een etymologie die equivalent is aan het woord ‘armoede’. Ze gaan allemaal terug op: ellende.

‘Armoede’ is zo een statistische fabulatie waarmee onze problemen om in leven te blijven, en om waardig te leven, geaggregeerd worden op zo’n manier dat drie dingen tegelijk gebeuren. Ten eerste: we hebben niet alleen problemen om in de levens-middelen te voorzien, we hebben nu ook nog een armoedeprobleem. Ten tweede: via die overcodering van onze problemen tot ‘armoede’ is het mogelijk de problemen die we hebben te transformeren in het probleem dat we zijn. En ten derde: op geen enkele manier is het nog mogelijk dat de accumulatie van kapitaal bij enkelen verschijnt als het probleem dat de middelen om te leven van velen permanent op het spel zet. Dit alles wordt mogelijk op basis van het sprookje waarin de hoeveelheid werk gelijk staat aan de hoeveelheid productie, en waarin de hoeveelheid productie vervolgens het exacte equivalent is van hoeveel er gegeten kan worden.

De ontrafeling van dit sprookje begint wanneer we vragen hoe het eigenlijk zit met de consumptie van de rijken. Is dat niet net zo goed improductieve consumptie? Wordt in die sterrenrestaurants, op en in die jachten niet ongelofelijk veel waarde verbrast? Is het vakantiehuisje van de een niet de dakloosheid van de ander? En is de huur – de getalsmatige expressie van de huurbaas – niet wat ons in de weg staat om te wonen? Het is belangrijk om te zien dat we hier onmiddellijk op de blinde muur van het boekhouden stuiten. Dat wil zeggen: op deze vragen hebben de boekhouders geen antwoord, want de rijken kunnen misschien verspillen maar Ze hebben, zo is de redenering, nu eenmaal voor die verspilling betaald. Hun consumptie, hoe absurd en bandeloos ook, kán niet genoteerd worden als overtollig. Het heeft geld gekost en ís daarmee en daarom productief. Immers, een leverancier heeft er geld voor gekregen en die zal met dat geld onvermijdelijk dingen gaan doen die anderen weer aan het werk zullen zetten. Een bank heeft een lening verstrekt en verwacht rente, op de lening of op het product waarin de lening herverpakt is. De grond is vervuild en iemand verdient aan het schoonmaken ervan. Voilà, economische groei! Dit kan verklaren hoe een schuldencrisis kon worden opgelost door de rijken ongelimiteerde toegang te verschaffen tot krediet. Zolang Zij het uitgeven, is het onherroepelijk winst. Arm ben je als je te weinig hebt om te consumeren, maar toch niet rood mag staan. Rijk ben je als je zoveel in de min staat dat de productie niet zonder je consumptie kan. De strategie van de rijken: jezelf negatief onmisbaar maken. In zekere zin is er dus de hele tijd te veel geld, en is armoede een probleem dat ontstaat wanneer er te veel geld is, en wanneer dat geld dan uitsluitend als krediet in de wereld komt. Wie veel krediet heeft, is rijk. Wie niet credit worthy is, is arm, onwaardig. Er is te veel geld maar het is allemaal schuld.

We voelen een vraag opborrelen: waar kunnen we ons aanmelden als rijken? Want dan zou het probleem van onze improductieve consumptie, van datgene wat ons veroordeelt tot armoede simpelweg kunnen worden uitgewist. Dan schrijven we ook onze schulden op als uitgaven, als investeringen en winsten, dan krijgen ook wij toegang tot krediet en kunnen we weer pinnen bij de bakker. Je voelt het al aankomen: dat kan niet. Met andere woorden: rijk ben je alleen als je al rijk was. En ook: als je het nog niet bent kun je alleen rijk worden door minder uit te geven dan je verdient. Oftewel, alleen door leverancier te worden van wat de rijken willen, kun je door hard werken en goed boekhouden zelf ook een graantje mee gaan pikken. Langzaam maar zeker maak je dan van jezelf ook iemand wiens wensen kunnen gaan gelden als de oorsprong van waarde. Immers, jouw rijkdom houdt niets anders in dan dat je geld over hebt om te geven aan mensen die voor jou gaan werken om jou te geven wat jij wilt – en natuurlijk wil je in dat geval altijd meer ontvangen dan je geeft. We komen dus ook langs deze weg uit bij dezelfde oplossing. Wil jij ook iemand zijn wiens consumptie kan gelden als de bron van rijkdom, dan is het zaak ervoor te zorgen dat anderen afhankelijk worden van wat jij wilt en moet je bereid zijn daarvoor te werken.

Toch lijkt er iets veranderd in de voorstelling van zaken. Bezien vanuit de positie van de armen is onderwerping aan de werkplicht de enig mogelijke oplossing. Maar bezien vanuit de positie van de rijken is er een andere mogelijkheid: zolang anderen afhankelijk van jou zijn, kan die afhankelijkheid worden omgezet in krediet. Je kunt immers beloven dat die anderen voor jou aan het werk gaan en kunt dan met de opbrengst van hun werk het geleende krediet voldoen. Vanuit de positie van de rijken gaat het er dus niet om minder uit te geven dan er binnenkomt, maar allereerst om het behoud van de afhankelijkheid. Zolang de bank maar denkt dat je in staat zult zijn om anderen voor je aan het werk te zetten, kun je eindeloze schulden hebben en toch nooit arm worden. En dat de lijven die deze posities innemen af en toe van plek wisselen betekent niet dat die posities zelf verdwijnen. Het lijkt daarom hopeloos.

Tegelijk hebben we een ander perspectief gekregen, iets wat Ze van nu af aan wat ons betreft dan maar expliciet moeten maken: de rijken zijn niet rijk omdat Ze meer geld krijgen dan Ze uitgeven; Ze zijn rijk omdat anderen meer van Hen afhankelijk blijken te zijn dan Zij van die anderen. We wisten natuurlijk altijd al dat het hier uiteindelijk nooit om geld gaat, maar om macht, om de mogelijkheid ervoor te zorgen dat anderen eerder sterven. Maar Ze voelen de noodzaak die macht te verhullen en er uitdrukking aan te geven middels statistische fabulaties en drogredeneringen. De beste manier die Ze hebben om Hun macht te verhullen, is Hun economisch exhibitionisme: Hun pronken met geld, de borstklopperij van Hun tweede jacht, derde huis… het moet allemaal expressie geven aan de narcistische fantasie het verdiend te hebben. Kijk maar, het jacht is werkelijk, het is tastbaar, materieel, je zou het kunnen aanraken – maar dat mag je niet. Maar is het werkelijk omdat ervoor betaald is met loon uit werk, of omdat er een aanraakverbod is dat Ze met behulp van uniformen en wapens kracht bij kunnen zetten? Is privaat eigendom, heilig grondbeginsel van de liberale orde, niet simpelweg een taboe?

Hier stuiten we op de mysterieuze substantie van de ‘afhankelijkheid’ die van sommigen rijken maakt en van anderen armen. Waarom zijn de armen eigenlijk afhankelijk van de rijken? Met deze vraag openen we het zicht op het schandaal van de economie. Het staat op pagina 1 van de economieboekjes. Het heet: ‘schaarste’. Natuurlijke schaarste. Er is eenmaal te weinig, want voorraden zijn beperkt. En ja, alles is eindig, dus de schaarste heeft de plausibiliteit van de common sense mee. Totdat we ons realiseren dat olie alleen schaars is in een economie die op fossiele brandstoffen draait. Dat woningen alleen schaars zijn omdat huurbazen er honderd mogen hebben. Dat werk alleen schaars is als het in ‘banen’ verpakt moet worden. Dat eten alleen schaars is omdat sommigen er miljoenen mee wensen te maken. Dat het de strikte politie van de toegang tot de productiemiddelen en van de producten is die de schaarste tot stand brengt. Prijzen zijn geen marktmagie, geen economisch antwoord op een natuurlijk probleem van de schaarste, ze zijn het mechanisme van de productie van artificiële schaarste. Het schandaal van de politieke economie is de metafysische assumptie ‘schaarste’ en de georganiseerde reductie van onze gemeenschappelijke overvloed tot schaarste, de bepaling wie kan eten en wie niet, wie eerder sterft omdat hun consumptie geen gelijke tred houdt met hun productie. Want we zijn er allemaal, wij, jullie, de productiemiddelen, de Aarde, de zon – en plots coderen Ze alles om in ‘waarde’, en zeggen Ze dat er niet genoeg gaat zijn, dat we moeten werken om waardig te zijn en waarde te ontvangen. We zijn er allemaal, maar plots wordt er een onzichtbare barrière opgetrokken tussen ons en het eten, de grond, de woningen. En dan komt het mooiste nog: dat, als we er allemaal zijn, we met te veel zijn. Economie is het Malthusianisme nooit voorbijgekomen. Wij zijn andermaal het probleem, ditmaal als ‘bevolking’. De 1% bezit meer dan de helft van de Aarde, maar het werkelijke probleem is nu ineens: overbevolking! En omdat er te veel mensen zijn en er dus niet genoeg is, is de oplossing, bij Malthus evenzeer als bij de ‘topeconoom’ in de talkshow: privaat eigendom. Er is te weinig, en paradoxaal genoeg wordt het niet delen, het taboe van het bezit, de onaanraakbaarheid van wat Ze naar zichzelf toe weten te harken, heilig verklaard.

Maar we beginnen ons te herinneren dat de rijken alleen maar rijk zijn geworden omdat Ze zich, ooit en ergens, vaak lang geleden en ver weg, hebben toegeëigend wat niet in privaat eigendom en dus van iedereen was. Afhankelijk worden we, en arm en rijk ontstaan als posities in een raamwerk op het moment dat hetgeen gratis en voor niets wordt ingenomen kan worden versneden en verkocht in de verpakte eenheden die Ze producten noemen. En die producten zijn dan plotseling niet meer gratis, omdat er een prijs op is geplakt en er een kassa naast is gezet. Wat dacht je dan? De rijken moeten de rente op Hun schulden kunnen betalen! Anders zakt het hele spel in elkaar. Het schandaal is dus dat de rijken nooit betaald hebben voor wat Ze verkopen, dat Ze om rijk te worden nooit hebben hoeven sparen uit loonarbeid als equivalent van geproduceerde etenswaar(de). Dat iedere eenheid van rijkdom, uitgedrukt in geld, gegrond is in een geschiedenis van verovering, in kolonisatie (daar) en appropriatie van commons (hier). Ondertussen hebben wij iedere maand net genoeg of net te weinig. Maar als wij wat maandverband stelen, maakt dat ons criminelen.

Het schandaal van de economie is dat de rijken alleen rijk zijn geworden omdat Ze met geweld hebben ingenomen wat wij met een inkomen moeten zien te betalen. De armoede ontstaat niet omdat wij te lui, te nutteloos, te dom, te sloom of te brutaal zijn. Het is tegelijk veel simpeler en veel complexer dan de statistische voorstelling van de armoede doet vermoeden: we zijn arm omdat we alleen met Hun geld toegang krijgen tot wat we daarnet nog zelf hadden geproduceerd. Alles is altijd al van ons, maar Ze hebben een wetenschap (die van de schaarste) en een notatiesysteem (het nationale boekhouden) die het zicht daaraan onttrekken. In plaats daarvan mogen we Hun economisch exhibitionisme bewonderen: kijken, niet aanraken, zie wat je op een dag misschien ook hebt, als je hard werkt. En als je niet werkt, dan zijn Ze bereid de rol van aalmoezenier op zich te nemen, maar alleen zolang wat Ze verzorgingsstaat noemen ‘betaalbaar’ is.

De relatieve posities van armen en rijken krijgen zo uitdrukking middels het ideologeem van de betaalbaarheid. Wat kunnen we betalen en wat niet? We kunnen het in deze wereld van geld en honger niet gek genoeg maken… als het maar betaalbaar is. Zolang Ze anderen en de Aarde aan zich weten te onderwerpen, zijn de schulden van de rijken per definitie betaalbaar. De schulden van de armen zijn, zolang we moeten werken voor ons geld, het gat waar waarde in wegloopt. En daarvoor moeten de armen boeten. Oftewel, dat beschouwen de rijken als een goede reden om de armen aan zich te blijven onderwerpen, om ons – de armen, in deze structurele positie, dat zijn wij – de les te lezen, om ons te laten voelen dat we niet deugen, om ons te straffen en te disciplineren, om ons de laan uit te sturen of juist te dwingen tot wat Ze met een gespleten tong een ‘tegenprestatie’ durven te noemen. En vooral: alles wat ons minder afhankelijk zou maken – een leeszaal, een gaarkeuken, een badhuis, een ziekenhuis, een school, een park, een steeds verdere uitbreiding van de staking die Ze het weekend noemen – is bij voorbaat onbetaalbaar, kan enkel als kostenpost worden opgevoerd, zal uiteindelijk een luxe blijken waarop nog zal worden bezuinigd. Immers, hoe meer we in staat zijn het leven gezamenlijk te organiseren, hoe minder we afhankelijk zijn van Hun producten, van Hun prijzen en van Hun geld. Het schandaal van de economie is daarom net zo goed een schandaal van de politiek. Hun politiek bestaat eruit de economische inrichting van het leven te identificeren met het woordje ‘vrijheid’. En dat zullen we Ze nooit vergeven, dat zullen we nooit vergeten en dat woord zullen Ze, vroeger of later, moeten inslikken (wat Ze tegen die tijd plots bereid zullen zijn te doen, zonder blikken of blozen).

Wat we doen wanneer we geld bij elkaar leggen en het schenken – oei, wat een smerig woord – aan de armen, is alleen nog maar de boel vertragen, is alleen nog maar tijd vrijmaken om minder te hoeven werken, om net iets minder onder de hak van de rijken te leven, om het circuit van het geld te dereguleren, om het te laten stromen op manieren die de economie en de politiek niet bedoeld hebben. Hoe beperkt en smerig deze ingreep ook is, het maakt in elk geval vuile handen. Het begint iets aan te richten en is niet vies van zijn eigen schijnheiligheid. Het stelt ons in elk geval in staat om het oordeel van de betaalbaarheid te leren weigeren. In de tussentijd die dan kan ontstaan, gaan we zien wie we kunnen worden, waartoe we allemaal nog meer in staat zijn en wat niet Zij maar wij willen.

Dan kan er een nieuwe pedagogiek gaan plaatsvinden. Die draait dan niet meer om de rijken die de armen uitleggen hoe te leven. En al helemaal niet om de armen die nog maar een keer aan de rijken uitleggen hoe onleefbaar Hun economie en Hun politiek is. Niets van dat alles. Het kan – eindelijk! – gaan over wat de rijken zullen verliezen, qua overtuigingen maar vooral qua bezit, wanneer Zij – in plaats van het afkopen van hun schuld door dat afkopen op ons werk af te wentelen – daadwerkelijk iets zouden willen doen met de problemen waaruit ons leven is opgebouwd. Met het wassen van de kinderen. Met het doen van de boodschappen. Met het verdoven van de stress. Met de schimmel aan de muren. En met het einde van de maand. Dan kunnen de rijken zich pijnlijk bewust worden wat Hen ervan weerhoudt om in ons te geloven: dat Zij dondersgoed weten dat Ze niet precies weten en nooit werkelijk kunnen aanwijzen waar Zij hun rijkdom vandaan hebben zodra gevraagd wordt op welk/wiens werk het allemaal gebaseerd is. Dan wordt pijnlijk duidelijk dat Ze dondersgoed weten hoe Ze het hebben veroverd en wat het zal vergen om aan die geschiedenis te ontsnappen. Dat Ze alleen maar op dat jacht kunnen wijzen, dat er echt ligt, en dat derde huis, dat er werkelijk staat, maar waarvan Ze terecht vrezen dat we het op een dag allemaal terugpakken.

Wij kunnen hier alleen maar onze vriendschap betuigen en oproepen tot meer! Meer van deze smerigheid, van deze vuile handen in godsvruchtige bodem. Meer van deze ketterij tegen het bijgeloof van de betaalbaarheid! En ja, ook meer weerzin tegen de rijken en Hun verachtelijke successen! Meer woede over een economie en een politiek die het iedere dag nog wagen om te spreken over vrijheid en democratie. Aan ons om Ze die weddenschap te doen verliezen. Of, zoals Ze zeggen, het Ze betaald te zetten.