“Therefore, the word truly creates
because if you consider the relationship of the three,
from thought to action, speech is the mediator.”
– Jacob H. Carruthers[1]
“Alle höhere Sprache ist Übersetzung der niederen,
bis in der letzten Klarheit sich das Wort Gottes entfaltet,
das die Einheit dieser Sprachbewegung ist.”
– Walter Benjamin[2]
In het aangezicht van De Grote Oorlog, een horizon die een schijnbaar noodzakelijk alternatief moet bieden voor die van het fascisme, willen wij terugkeren naar de slotscene van Tarkovsky’s Offret. Aan het einde van die film blijft een zoontje achter – zijn vader is inmiddels in een psychotische razernij met ambulance afgevoerd nadat hij het familiehuis tot de grond heeft afgebrand; hij was ervan overtuigd dat de wereld op het punt stond in een nucleaire oorlog ten einde te komen, en wij weten niet of hij gelijk zal krijgen. Het zoontje geeft een dode boom die verticaal in de koude stenen is gezet twee emmertjes water. Dat lijkt volstrekt overbodig. De boom is afgestorven. Maar het gaat om de herhaling van de handeling in de volle zekerheid dat die hopeloos is. Het jongetje, dat de hele film nog niets heeft gezegd (onduidelijk blijft of hij dat niet kon of niet nodig vond), gaat aan de voet van de boom liggen en kijkt langs de dorre stam naar boven. Hij zegt: “In het begin was er het woord, waarom is dat, papa?” De camera glijdt langs de boom naar boven en het licht valt uit de hemel, reflecteert op het water van de zee en schijnt door de donkere, dorre takken in de lens.
We keren terug naar dit kind en naar zijn vraag, nadat we de Grote Mannen in hun elite-enclaves (de ‘internationale podia’) hebben horen spreken over wat er nu, nadat Ze constateren dat Papa gek geworden is, zal moeten gebeuren. Dat is natuurlijk allereerst een Grote Mobilisatie, een voorbereiding op een oorlog, wie weet zelfs in een confrontatie met de Vader die ons teleurgesteld heeft, altijd met het valse argument dat alleen dat een oorlog kan afwenden. Wij hebben eerder al aangegeven wat wij zouden voorstellen: een weigering van de mobilisatie, landverraad en insurrectie met zoveel mogelijk solidariteit met de ‘migranten’ die hier, in Europa, leven en met les damnés de la terre. Deze handelingsrichting biedt geen enkele garantie op een goede afloop, is in die zin tamelijk hopeloos en brengt dus geen onmiddellijke verbetering van de huidige condities. En precies daarom valt zij te verkiezen, biedt zij een voorstelling van een toekomst buiten de naderende horizon van het fascisme en de Grote Oorlog met, of tegen (wie zal zeggen bij welke linies de liberalen zich zullen voegen?), dat fascisme (op grond van de geschiedenis gokken we: met). Precies omdat deze handelingsrichting geen goedkope grote woorden bevat, maakt ze een pad vrij voor het uitvinden van een leven zonder een bestand met het fascisme en zonder de Westerse concepties van politiek, economie en persoonlijkheid.
Laten we daarom opmerken wat er gebeurt nu Grote Mannen, zoals de voormalige gouverneur van de Bank of England en huidige premier van de bezettingskolonie genaamd Canada, het op zich nemen om hun liberale leugenachtigheid in elk geval publiekelijk te erkennen. Wanneer zulke mannen zeggen dat wij Zij onder Amerikaanse voogdij schone schijn hebben gespeeld, dan wordt in elk geval de terreur van de leugenachtigheid verlaten. Dan worden de woorden minstens in hun openbarende en creatieve potentie serieus genomen. Natuurlijk kan, in het spreken van deze mannen, een alternatief weinig meer zijn dan het herstarten van een ‘eigen’, verwaarloosd imperialisme, een verachtelijke hoop dat wij, verweesde kinderen, heus wel voor ons eigen imperialisme kunnen zorgen en niet van plan zijn om in de armen van een ándere grootmacht te vluchten. En dus regent het voorstellen voor ‘Europese strategische autonomie’, voor het weer ‘serieus nemen van Europese macht’, voor de (her)waardering van Europa als wereldmacht. Het is alsof de emancipatie van het geopolitieke Stockholmsyndroom waarin Europa zich knus tegen de borst van Amerika aan vlijde ten koste is gegaan van de herinnering aan hoe dat ook weer ging, met Europa en die wereldmacht. Het is dus mogelijk om door het modderige massagraf van Euro-wit imperialisme te waden en nog tijdens die wandeling te vergeten waar je bent, zodra je de hegemoniale macht aan wiens hand je liep begint te zien voor wat hij is (en hij is: een offshore branch van Europa gone rogue). Dus Duitsland stelt voor het grootste leger van Europa op te bouwen, en zijn buurlanden… applaudisseren! We gaan nog een ronde. Encore un effort. Als encore bij de geschiedvervalsing die ‘Europese beschaving’ heet. Dat is natuurlijk de aanslag op de verbeelding hoe te leven die Europa zichzelf in 1492 definitief toebracht: het enig denkbare alternatief voor macht is: andere macht. Zoals de reactie van een voormalig talkshow host op een aanklacht tegen het patriarchaat: wat is het alternatief dan, een matriarchaat?
Maar laten we voor even meebewegen op de woorden van de Grote Mannen, niet omdat ze te vertrouwen zijn of op iets anders duiden dan de garantie op meer geweld, maar omdat die Grote Mannen zich nu genoodzaakt zien de performativiteit van hun eigen spreken, van het woord, te erkennen en openlijk te praktiseren. Met de speechvan meneer Carney op het plunderpodium in Davos begeeft het taalspel van de geopolitiek zich ten minste op het vlak van de uitvinding. Fuck around and find out. Dat zei Carney heel duidelijk en hard op: ik sta hier en zeg het, en dat ik het gezegd heb en dat jullie hoorden dat ik het zei, of ik het nu juist heb of niet, kan nu niet meer worden ontkend of teruggedraaid. Oftewel, de liberale internationale heeft zich – eindelijk – verlaagd tot het taalspel dat de fascisten al beheersten, en heeft publiekelijk erkend dat woorden er zijn om dingen op gang te brengen en nooit om garanties op een goede afloop te bieden, laat staan om ‘de feiten’ te benoemen. De liberalen zijn, hoe minimaal ook, een beetje pessimistischer geworden. En dat is goed nieuws.
Een pessimistisch liberalisme, hoe onuitstaanbaar ook, creëert in elk geval een mogelijk zicht op de unipolaire wereld die wij nastreven. Want het maakt zichtbaar dat liberalen zich hoe dan ook moeten bedienen van fascistische tactieken, van dezelfde fascistische woorden die altijd al dezelfde liberale woorden waren (Vrijheid, Veiligheid, Verdediging). En het laat zien dat Ze in hun nu verkozen antagonisme met het fascisme niet verder komen dan het hopelijk optuigen van een eigen plundermachine naast die van de reactionairen en de megalomanen. Maar laat duidelijk zijn: wij staan aan één kant in deze strijd om Groen Land en kostbare mineralen. Wij staan, hoe dan ook en uiteindelijk toch ook samen met onze liberalen en fascisten, aan de kant van een leven dat uiteindelijk maar één doel kent: vervangen worden. Niets kan die vervanging garanderen en het is alleen in een Bestand dat niet vraagt om garanties dat we in staat zullen zijn iedere volgende generatie – onze vervanging – te ontvangen zonder hen te veroordelen tot een volgende herhaling van de oorlog op en tegen de Aarde. Tot het volgende gezinsdrama. Daarom zetten we alles in op onze woorden, want alleen woorden geven een versnelling aan een verbeelding die zo’n noodlot kan afwenden. En woorden is natuurlijk maar een woord voor woorden, voor dingen, en voor daden.
Te midden van de machtsalternatieven, de herhaling van alternatieve machtsconstellaties, is het daarom zaak anachronistisch te denken en ruimte te scheppen voor anternatieven. We krijgen kokhalsneigingen van de eeuwige herhaling dat ‘alternatieven’ nodig zijn. Dat nu een werkelijk Links Alternatief nodig zou zijn. Of, zo mogelijk nog erger, een Transitie. We wantrouwen het optimisme daarvan: voor je het weet zit er simpelweg iemand anders – een ‘links persoon’ – aan dezelfde knoppen te draaien. We willen ándere herhalingen, herhalingen die niet, steeds weer, met de hoop gepaard gaan de cyclus te beëindigen, een punt te zetten achter de geschiedenis door nu wel op de juiste manier aan die knoppen te draaien. Als we het ante omarmen en anternatieven zoeken, betekent dat dat we reiken naar wat voorafgaat aan de vele alternatieve machtsconstellaties, naar de onvoorwaardelijke voorwaarde voor de demonische verdraaiing van de potentie van de Aarde die alle macht is. Macht – het vermogen te zorgen dat anderen eerder sterven – is de toe-eigening van de scheppende capaciteiten van de Aarde (het vermogen te zorgen) voor demonische doeleinden (het eerder sterven van de ander).
Waarom toch al die woorden, papa? Toch niet omdat we denken dat ze tot een sluitend bewijs of definitieve betekenis kunnen leiden? Waarom zouden wij ons onderkomen, ons samenzijn op Aarde laten afsluiten door Grote Woorden – Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap, Groei, Innovatie, Alternatief – die moeten lijken op garanties maar die enkel een rechtvaardiging vormen voor ander geweld? Uiteraard altijd allereerst het geweld van de Vader zelf, die in het aangezicht van zijn eigen belachelijke falen naar de wapens grijpt en uiteindelijk natuurlijk de hand aan zichzelf slaat. ‘Vader’ is natuurlijk de Urgestalt van een tamelijk redundant figuur, vandaar dat hij zich doorgaans zo breed maakt en met geweld doet gelden. Het jongetje stelt zijn vraag in afwezigheid van de Vader en precies dat geeft die vraag haar negatief-theologische, generatieve, anternatieve effect: van een Vader zijn geen antwoorden te verwachten die leven geven, geen woorden die trouw zijn aan de Aarde. Hooguit feiten en meningen. En de feiten en de meningen, dat is de hel.
Bij Tarkovsky leren we dus allereerst dat van de Vader geen antwoord te verwachten is. Maar de woorden die er toe doen zijn tegelijkertijd right in our faces: we leren niet een antwoord, maar een vraag. De vraag die meeloopt met de herhalende handeling die zo liefdevol is dat zelfs de dode boom eindeloos gevoed wordt. In een exacte omkering van de macht als het vermogen te zorgen dat anderen eerder sterven, wordt hier het vermogen van een leven verbeeld dat zich zorgend richt op wat reeds gestorven is. Georganiseerd pessimisme.
Alleen die eeuwige herhaling heeft toekomst. En alleen herhaling zonder doel maar als puur middel, als enkel methode, is heilig. Alles gebeurt een eindeloos aantal keren: pijn, verlies, verdriet, breuk, vermeerdering, vreugde, verbinding, liefde. Woorden zijn dus maar kleine dingen in deze grote storm van stof en gedachten, vergeten voordat ze goed en wel zijn uitgesproken. Door(ge)kruist voordat ze zijn gelezen. In het begin was het woord, en toen was er het kruis. Tegelijk is het zo dat de werkelijkheid iets moet voorstellen om iets te worden. Woorden bestaan omdat de Aarde een voorstellingsvermogen is en voortbrengt. Woorden zijn kleine iteraties van dat zich eindeloos herhalende vermogen. Dat verleent woorden, hoe klein en nietig ook, hun onmiddellijke communicatie tot God. Een onmiddellijkheid die voor ons het exacte tegendeel is: pure bemiddeling, onvolledigheid, apofatische afstand, altijd middel, nooit doel, en daarom blijven we herhalen. Die bemiddeling, die creatieve, scheppende afstand, garandeert op geen enkele manier begrip, laat staan kennis. Het enige dat we ontvangen/weggeven, is de terugkeer van alles, van Geschiedenis, in ieder ogenblik van herinnering/uitvinding.
We spreken, schrijven, vertellen dus niet om het nu eens en voor altijd gezegd, gesteld, verteld te hebben. Of om überhaupt iets te zeggen, stellen, vertellen. We drukken ons uit in woorden om iets op gang te brengen. Of, nog iets dynamischer uitgedrukt, om op een beweging mee te slingeren en er een bepaalde versnelling aan te geven. Een anachronistische, anternatieve versnelling, voorouderlijk reddend het verleden, het reeds gestorvene in rennend, zodat we nooit meer zullen aankomen op plaatsen waar we het optimisme van de alternatieven en de transities zullen moeten aanhoren, of waar we Grote Mannen Grote Woorden horen uitspreken, hoe waar ze ook zijn. Het gaat erom een zekere inflectie te geven aan de versnellingen waarmee het voorstellingsvermogen voortdendert en zich voorover stort, in een eindeloze koprol die iedere keer weer terugblikt naar de aanvankelijke breuk met het andere en zich vooruit projecteert in een onzichtbare omhelzing met… wie zal het zeggen. Het gaat erom geen punt te maken, geen punten te verwachten van Grote Mannen, ook niet als Ze zich geëmancipeerd wanen van de Vader.
Alle beschrijvingen slaan ergens op, treffen onbedoeld een doel maar maken nooit een punt, en we tasten iedere keer weer in het duister zodra we vragen ‘wat betekent dat?’ of ‘wat bedoel je?’ Zulke vragen leiden enkel tot steeds nieuwe herhalingen van de tekens waarmee wij ons woorden voorstellen. Ieder volgend woord herinnert aan de historiogenetische breuk, aan het begin van de dingen, en doet dus ergens pijn, vooral omdat de afstand tot dat begin onherroepelijk groot voelt. Maar op ieder moment is ieder woord een bemiddelende relatie tot God. Dat geeft ieder woord de potentie om de pijn van de herhaling te kunnen doorstaan. We overleven ieder falend moment van aanduiding en betekenis omdat het voorstellingsvermogen er niet door wordt verminderd of beschadigd, laat staan vernietigd. We worden niet; we woorden. En het voorstellingsvermogen keert simpelweg terug naar waar het altijd al was, in God, en begint aan een volgende duik in de duisternis waar alles nog te gebeuren staat zo lang we God niet voor de Vader aanzien, en zo lang we de verleiding van de afsluitende Grote Woorden van de Macht weerstaan en kiezen voor de anternatieve herhaling, voor de bereidheid om zelfs wat gestorven is water te blijven geven.
[1] Carruthers, J.H. 1999. ‘Speaking About Kemetic Theology’, in: Intellectual Warfare, Chicago: Third World Publishers, p. 283.
[2] Benjamin, W. 1977. ‘Über Sprache überhaupt und über die Sprache des Menschen’, in: Gesammelte Schriften, Band II – 1, pp. 140-157 (p. 157).